Lees meer

Orval, Brasserie d'

De eerste monniken die zich in Orval vestigden, kwamen in 1070 uit Zuid-Italië. Ze werden verwelkomd door de plaatselijke leenheer, graaf Arnout van Chiny, die hun een stuk grond schonk. Onmiddellijk werd de bouw van een kerk en een klooster aangevat.

Om ons onbekende redenen trokken deze pioniers veertig jaar later weer weg. Sommigen zijn van mening dat dit te maken kan hebben met de oprichting van de orde der Tempeliers en de doelstellingen van deze organisatie. Arnouts zoon, Otto, verving hen door een kleine gemeenschap van kanunniken. Die voltooiden de bouwwerken die door hun voorgangers begonnen waren. In 1124 was de kerk klaar en werd ze ingewijd door de bisschop van Verdun, Hendrik van Winton. Het ging de jonge gemeenschap economisch echter niet voor de wind. Daarom vroegen de kanunniken al snel om te mogen aansluiten bij de Orde van Cîteaux, die toen in volle expansie was. Hun vraag werd overgemaakt aan sint Bernardus. Deze gaf een positief antwoord en vertrouwde de overname van Orval toe aan de abdij van Trois-Fontaines in Champagne, het eerste dochterhuis dat hij zelf had opgericht.

Op 9 maart 1132 kwamen zeven cisterciens monniken van dit klooster aan in Orval. Hun overste, zo weten we, heette Constantijn. Beide groepen (de pas aangekomen monniken en de kanunniken die reeds ter plaatse waren) werden tot één gemeenschap samengesmolten. Die ging dadelijk aan de slag om de gebouwen aan de cisterciënzergebruiken aan te passen. Voor 1200 was de nieuwe kerk voltooid.

Als de nieuwe gemeenschap in de geest en volgens de gebruiken van Cîteaux wilde leven, moest ze ook in haar eigen levensonderhoud voorzien. Ze zocht een areaal dat voor bosontginning en landbouw in aanmerking kwam. De gronden in de onmiddellijke omgeving van het klooster waren te arm om in cultuur gebracht te worden. Reeds in 1132 kregen de monniken een klein domein ten geschenke in de buurt van Carignan, op zowat twintig kilometer daar vandaan. Dit was de kern van wat later hun rijkste graanschuur zou worden : Blanchampagne. In de loop van de daaropvolgende jaren kregen ze nog andere stukken land. Een speciale vermelding verdient de groep gronden van Buré-Villancy, in het huidig Frans departement Meurthe-et-Moselle ; deze plek zal immers uitgroeien tot het centrum van Orvals ijzerindustrie.

Vijf eeuwen lang heeft Orval het bescheiden bestaan gekend dat vele cisterciënzerkloosters hebben geleid. Vanaf het midden van de 13de eeuw werd ze regelmatig geteisterd door rampen waarvan de nawerking zich telkens zeer lang liet voelen. In 1252 woedde er een hevige brand. Het zou haast een eeuw duren voor de gemeenschap zich van dit onheil herstelde. Sommige delen van de abdij moesten helemaal opnieuw opgetrokken worden. Het was zo erg, dat de leiding van de cisterciënzerorde er op een bepaald moment aan dacht het klooster op te heffen.

In de loop van de 15de en de 16de eeuw richtten de oorlogen tussen Frankrijk en Boergondïe en daarna tussen Frankrijk en Spanje grote verwoestingen aan in heel Luxemburg. Ook Orval bleef niet gespaard. In deze moeilijke omstandigheden was het aan de welwillendheid van Keizer Karel te danken dat de monniken op het grondgebied van de abdij een ijzersmelterij mochten installeren. De heropbouw van het schip van de kerk, dat dreigde in te storten, moet in dezelfde context gesitueerd worden. De werken werden aangevat in het begin van de 16de eeuw. In 1533 werd de vernieuwde kerk ingewijd. Op dat ogenbiijk telde de gemeenschap 24 monniken.

Was de 17de eeuw voor de Lage Landen een ongelukseeuw, voor de abdij van Orval betekende ze een hoogtepunt in haar ontwikkeling. Ze bracht twee abten voort die voor heel de orde van betekenis zouden zijn. In 1605 slaagde Bernard de Montgaillard, die uit het zuiden afkomstig was, erin zich ondanks de weerstand van de gemeenschap, door de aartshertogen Albrecht en Isabella tot abt te doen aanstellen. Hij gaf zich van dan af volledig aan zijn monniken, die van de weeromstuit sterk aan hem gehecht raakten. Hij bracht de economische situatie van het klooster weer in evenwicht en liet de gebouwen restaureren. Zijn voornaamste verdienste lag echter op het vlak van het gemeenschapsleven en hierin was hij zijn tijd vooruit. Hij hervormde de constituties en zorgde voor een nieuw elan. Tal van kandidaten meldden zich. In 1619 telde de gemeenschap 43 leden : 27 monniken die de eeuwige geloften hadden afgelegd, 8 broeders en 8 novicen.

Kort na de ambtsperiode van Bernard de Montgaillard werd de abdij door een nieuwe ramp getroffen. In augustus 1637, in het heetst van de Dertigjarige Oorlog, plunderden troepen van maarschalk de Châtillon het klooster en staken het in brand. Het ging, bijgebouwen incluis, helemaal in de vlammen op. Aan de wederopbouw zou tot aan het einde van de eeuw in een klimaat van onveiligheid en onzekerheid gewerkt worden.

Van 1668 tot 1707 stond een andere grote abt aan het hoofd van de abdij Charles de Bentzeradt, een Luxemburger (hij was afkomstig van Echternach). Deze gestrenge man ontpopte zich tot een gedreven hervormer. Naar het voorbeeld van wat abt de Rancé in de abdij van La Trappe in Normandië had gerealiseerd, voerde hij in zijn eigen klooster de "strikte observantie" in. Weer kwamen talrijke novicen de gemeenschap vervoegen. Daardoor kon de Bentzeradt in 1701 de abdij van Düsselthal stichten en het huis van Conques-sur-Semois tot priorij verheffen. Na zijn dood werd de met uitsterven bedreigde abdij van Beaupré in Lotharingen door monniken van Orval van jong bloed voorzien en hervormd. In 1723 telde de gemeenschap 130 leden en was daarmee "de talrijkste van het hele keizerrijk".

Spijtig genoeg zou ook in Orval het jansenisme zijn tol eisen. In 1725 brak de crisis uit : een groep monniken was de stroming genegen en vijftien van hen verlieten het klooster om in de buurt van Utrecht het huis Rhijnwijk te stichten.

De vurigheid van de monniken ging hand in hand met materiële voorspoed : het landbouwareaal en de industriële vestigingen van de monniken breidden zich voortdurend uit. Op het einde van de 17de eeuw en tot in het midden van de l8de eeuw stonden de ijzersmelterijen van Orval aan de spits van de westerse metaalindustrie.

Vanaf 1760 werden de inkomsten die hier het gevolg van waren vooral gebruikt voor de bouw van een nieuw klooster, dat ontworpen werd door de befaamde architect Laurent-Benoît Dewez. In 1782 vond de kerkwijding plaats. Geldgebrek zorgde ervoor dat de werken daarna veel minder vlot verliepen en ten slotte zelfs helemaal werden stilgelegd.
1789 was voor Frankrijk het jaar van de revolutie. Alle bezittingen van Orval op Frans grondgebied werden verbeurd verklaard. Verschillende keren werd in de abdij alarm geslagen. Het ene alarm was al ernstiger dan het andere. 23 juni 1793 was de fatale dag, toen troepen van de opstandelingen onder leiding van generaal Loison de hele abdij plunderden en ze in brand staken. Alles ging in de vlammen op. De gemeenschap trok zich eerst terug in haar vluchthuis in Luxemburg, daarna in de priorij van Conques. Op 7 november 1796 werd ze officieel opgeheven. De overblijvende monniken moesten zich verspreiden. Gedurende meer dan een eeuw zouden de zwartgeblakerde muren van de abdij aan de weersomstandigheden prijsgegeven worden en dienst doen als steengroeve.

In 1926 schenkt de familie de Harenne de ruïnes van Orval en de gronden eromheen aan de Orde van Cîteaux. Ze zou er graag opnieuw een monastieke gemeenschap tot stand zien komen.

Dom Jean-Baptiste Chautard, abt van Sept-Fons (in het Franse departement Allier), neemt de verantwoordelijkheid voor de nieuwe stichting op zich. Hij zendt een groep monniken naar Orval; zij zullen de kern van de nieuwe gemeenschap vormen.

De heropbouw van het klooster wordt een reusachtige onderneming. Dom Marie-Albert van der Cruyssen, Gentenaar en monnik van La Trappe, zet zijn schouders onder deze taak. Men laat architect Henry Vaes een nieuw klooster uittekenen dat moet opgetrokken worden op de fundamenten van de achttiende-eeuwse abdij. In 1936 wordt Orval een zelfstandige abdij; Dom Marie-Albert wordt tot abt verkozen.

In worden 1948 de bouwwerken beëindigd worden ; op 8 september van dat jaar wordt de kerk plechtig ingewijd. Kort daarop geeft Dom Marie-Albert zijn ontslag als abt. Zijn taak is volbracht. Hij sterft in 1955. Met hem wordt de laatste bladzijde van de recente geschiedenis van Orval omgedraaid. Wat daarop volgt is nog te jong om geschiedenis te heten.

Producten van deze brouwerij

1 artikel(en)

1 artikel(en)

Stay informed

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte van het laatste biernieuws en actuele topaanbiedingen.

 

Over Bier&zO

Onze winkel in Rotterdam

Bekijk onze openingstijden 

Winkel Bier&zO Rotterdam

Al 25 jaar bier uit de hele wereld

Onder de 18? Geen bier.

NIX18

 

Volg ons op Facebook!

Volg Bier&zO op Facebook

 

Een moment geduld a.u.b...

Verder winkelen
Naar kassa en afrekenen
Verder winkelen
Naar kassa en afrekenen